Het verzet
Ik ging naar Texel om mijn vaders oom te interviewen. Hij heet Ger.
Hij zei aan het begin: ‘Als ik alles zou vertellen, dan ben ik morgen nog niet klaar.’ Dus hij ging grote gebeurtenissen vertellen.
Hij zei: ‘Ik hielp de Joden en zorgde voor bonkaarten. De Joden hadden geen bonkaarten. Daar moesten mensen uit het verzet voor zorgen en die bonkaarten haalde ik met een koffer uit Amsterdam. En van mij vandaan werden ze verspreid over de hele provincie.
We gebruikten ook soms kraaienpoten als de Duitsers achter ons aanzaten dan strooiden we de kraaienpoten op de weg en dan hadden ze een lekke band.
Ik ging met de trein, toen ze nog reden, van Amsterdam naar Alkmaar om het daar te verspreiden. De laatste keer dat ik dat deed had ik een grote zware koffer met allemaal bonkaarten en kraaienpoten. Maar toen ik in een treincoupé zat kwam er een officier van de Sicherheits Dienst. Gelukkig ging hij in de coupé naast mij zitten. Elk station keek hij naar mij en ik dacht: “Als ik tot Alkmaar reis, dan pakt hij mij op.” Ik gooide de koffer naar buiten en ik sprong bij het Overbos in Heiloo uit de trein. De treinen gingen toen nog niet zo hard. Gelukkig bleef de koffer goed dicht. Ik kwam veilig aan op het adres waar ik zijn moest. In de koffer zaten wel een paar duizend bonkaarten. Die zijn goed terecht gekomen.
Dat was een van de allermoeilijkste momenten, waarbij je dacht: ”Nu is het gebeurd. Nou leef ik niet lang meer”. Maar het is goed gegaan.
Nu wil ik nog iets zeggen. Dat gaat hoofdzakelijk over Joden. Nederland was een van de landen waar ze het minst deden voor de Joden. Maar 35% van de Joden is er levend van af gekomen. Die anderen zijn allemaal vermoord, naar concentratiekampen afgevoerd.
Op een gegeven moment was er een vrouw die zei: ”Wil jij met mij naar Utrecht, want ik moet een Joods meisje wegbrengen.” Toen gingen we naar Amsterdam, daar moesten we overstappen in de trein naar Utrecht. Die trein was helemaal vol met Duitsers. We konden er wel in maar moesten blijven staan. Het waren allemaal lui van de Sicherheits Dienst met het zilveren schild om.
Dat kind zag dat natuurlijk, ze was ongeveer 11 jaar. En ze was zo verschrikkelijk bang, ze klemde zich aan mij vast met de armen op mijn rug. Tot Utrecht stond ze te beven van angst.
In Utrecht gingen we naar het adres om het meisje weg te brengen. Maar dat huis was net overvallen. De mensen in de buurt waarschuwden ons. Ze letten op of er iemand kwam, want de overvallers lieten lui achter en die pakten dan de volgende die op zo’n adres kwam. Dat is mij nog een keer gebeurd. De mensen waarschuwden mij: “Maak dat je wegkomt, anders pakken ze jou ook.”
Op het zelfde moment moesten we proberen dat kind ergens anders heen te brengen. De vrouw was gelukkig goed bekend in Utrecht en wist een ander adres te vinden. Elk jaar rond 4&5 mei denk ik hier nog aan. Ik weet niet waar het arme kind gebleven is en dat zou ik dolgraag willen weten. Of ze in leven gebleven is, of dat ze haar toch nog gepakt hebben.
Dit is een van de afschuwelijkste dingen die ik heb meegemaakt.
Er was een man en een vrouw. De broer van die man was al gefusilleerd.
Die twee stonden allebei in het politieblad. Maar zij kreeg een baby-tje in het katholieke ziekenhuis. De directeur van het ziekenhuis wilde er verder niets mee te maken hebben. De ouders werden allebei doodziek en toen moest ik op het baby-tje passen. Ik had nog nooit een baby-tje verschoond of in mijn handen gehad. Ik was bijna 25. Ik had geen eten en ook geen kacheltje. Het was zo verschrikkelijk koud. Op een zaterdag zag ik dat het mis ging. De baby werd een geraamte. Ik dacht morgen is hij dood. Ik ging naar de kinderarts aan de Oude Gracht. Voor baby-tjes kon je nog bonkaarten krijgen. Maar ik had een geheim kindje. Dus ik zei: “Nou meneer, u moet mij bonkaarten geven voor een baby-tje dat niet aangegeven is op het gemeentehuis. Kijk me maar aan, meer kan ik niet zeggen. Ik hoop alleen dat u mij bonkaarten geeft.” Gelukkig deed hij dat en kon ik eten voor dat kereltje kopen. Ik heb hem heel voorzichtig gevoerd.
Toen is hij die laatste 4 maanden van de oorlog goed doorgekomen.
In die tijd stonden de treinen stil. Maar het vervoer van bonkaarten moest doorgaan. Toen heb ik zes meisjes gevonden die dat op de fiets deden. Ze reden van Zaandam naar Alkmaar en van Alkmaar naar de Wieringermeer. Andere koeriersters gingen over de Afsluitdijk naar Friesland. Die meisjes moesten iedere dag zo’n 30 kilometer fietsen. We noemden dat de Rolls Royce. Later heeft de burgemeester van Alkmaar gezegd: “Wat hebben we toch veel te danken gehad aan die Rolls Royce.” Soms werden die meisjes toch tegen gehouden. Als je zo’n meisje naar Zaandam of naar de Wieringermeer stuurde, wist je nooit of ze zou terugkomen. Of ze gepakt zou worden en het een of ander zou verraden. Zo ging dat in die tijd. Je leefde iedere dag onder een geweldige druk van “Leef ik morgen nog?” En: “Leven die meisjes nog? Kan het werk nog doorgaan?” Het was een geweldige organisatie. Je kende de mensen alleen bij de voornaam of een verzonnen voornaam. Want als je een naam wist en je werd gepakt, dan werd je net zolang gemarteld totdat je die naam begon te noemen. Je moest elkaar kunnen vertrouwen. En dat was het moeilijke.’
Slotwoord
Ik heb veel geleerd. Ik vond de Tweede Wereldoorlog een vreselijke tijd.
Ik wil mijn oom Ger, mijn vader en mijn moeder bedanken. En vooral oom Ger want hij was ziek en wilde mij toch helpen.
Jesse van Erkelens, 2005